Tour des Trappistes

George Nelis heeft de nobele gedachte opgevat om zijn Tour des Trappistes te voet af te leggen. In 2-wekelijkse bijdragen vertelt hij zijn pelgrimstocht.

Tour des Trappistes deel 3 : van Achel naar Berkel-Enschot (La Trappe)

Maandag 14 april

Een pagina-grote advertentie van een grote winkelketen prijst hun dier- en milieubewust geproduceerde varkensvlees aan. Wederom een teken dat ook in Nederland het welzijn van ons en onze kinderen meer en meer in daden uitgedrukt wordt.

Mijn daden, of beter, ònze daden, omdat Henk deze keer meeloopt, bestaan deze week uit het afleggen van het derde deel van m’n Tour des Trappistes, van Achel naar Berkel-Enschot, na de eerste etappes Orval – Rochefort en Westmalle – Berkel-Enschot.

Het miezert als ik op het station van Eindhoven aankom. Dit sluit mooi aan bij de grauwsluier die nog over deze stad hangt, nadat PSV er gisteren niet in geslaagd is het kampioenschap binnen te halen. De bus brengt me naar hartje Valkenswaard, daar waar ik destijds, en dan praat ik over 25 jaren her, in het prettige gezelschap van Corine en zwager Bas het speciaalbier heb leren kennen en waarderen. Hier zal ik zo meteen de eveneens gewaardeerde Henk ontmoeten om vervolgens gezamenlijk richting Achel te gaan.

Maar daar waar ik op de markt de buurtbus zie binnenkomen, ons vervoermiddel tot café Zomerhof, ontwaar ik nog geen teken van Henk. Hmm, we hadden toch hier afgesproken ! Toch ?! Na nog ‘ns bellen, de buurtbus is inmiddels vertrokken, contact. “Ja ?!” (Henk), “Ik zit hier met Mieke in café Zomerhof”. Ok, dat had dus het eindpunt van de buurtbusrit moeten zijn. “We rijden je wel tegemoet”, hoor ik Henk als laatste zeggen.

Het weerzien is hartelijk en de ingetogen lach van Henk en het lenteblije gezicht van Mieke zijn heerlijk om te zien. Henk en ik nemen afscheid van Mieke en zetten de eerste schreden van onze tocht.

DSC09172

Via wederom café Zomerhof, een vergeten paraplu die we deze week hopelijk niet nodig hebben, komen we bij de door de bossen omhulde abdij van Achel. Het torent groots en stil boven de bomen uit. En het blijft stil, ook na het aanbellen aan de poort. Ook in de binnentuin en bij het gastenverblijf geen teken van een pater of (gasten)broeder. Wel een voor 2 personen gedekte tafel. Hmm, de eerste oefening in geduld ? Even later verschijnt er dan een pater, en blijkt er in de keuken een echtpaar op onze aankomst gewacht te hebben.

DSC09173De abdij is uiterst stil. De meubelen en aankleding ademen de sfeer uit van 40 jaar geleden. Het is alsof ik weer in m’n vroegere lagere school rondloop. Het aantal broeders en paters is angstwekkend laag. Tijdens de Vesper in de naast de grote kerk gelegen kapel tellen we er zegge en schrijve 8. Erg weinig, veel te weinig voor zo’n groot complex. Het aftellen lijkt hiermee begonnen. Samenvoegen met andere abdijen is mijns inziens een van de weinige opties.

Gelukkig zijn er dan mensen zoals het eerder genoemde echtpaar. Zij verzorgen een groot deel van het jaar het gastenverblijf, koken voor de gemeenschap op hoogtijdagen en helpen het zo in stand te houden. Mensen die in stilte en nagenoeg onzichtbaar veel werk verzetten. Knap !

Na de broodmaaltijd zijn ook zij weg, terug naar hun woonplaats Utrecht, en hult de abdij zich verder in stilte, slechts onderbroken door een enkel woord van ons en het avondlied van een merel. Hoe veelzeggend is de op de muur omlijste spreuk : “De stilte heeft je zo veel te vertellen”.

DSC09182

Dinsdag 15 april

Naar inmiddels goede gewoonte laten we de vroegste mis, alhier om 4:30, schieten, en maken we enkele warme beduren later, deze afwezigheid weer enigszins goed. Buiten regent het. Binnen dreigt het onweer van de leegloop. Een zin van een psalm valt me op : “Zie, deze dag schept de Heer, laat ons hem vieren in vreugde”. Hmm, een andere manier om te zeggen dat het goed is te genieten van wat er is op dat moment en daar dankbaar voor te zijn.

Als ik na het ontbijt even terug ga naar de kerk om deze regel op te schrijven, tref ik een behulpzame pater. Hij legt ook uit dat dit voor hem een lastige tijd is qua gezangen, want “Pasen duurt niet zo lang en dus kunnen we deze psalmen niet zo vaak oefenen”. De uitdagingen van de dag.

We ruimen onze kamer op, pakken de rugzak en nemen afscheid van de abdij. In de knusse winkel “om de hoek”, die inmiddels een stuk groter is sinds ik hier lang geleden mijn eerste Belgische bierinkopen deed, kopen we kaas en brood. Deel III van het heilige driemanschap, de Achel donker van 9 %, lonkt hevig, maar kan gezien het gewicht en de ruimte in m’n rugzak niet mee. Van deze stevige jongen had ik gisterenavond wel willen genieten.

Genoten hebben we in ieder geval van de rust en de ruimte van deze inspirerende omgeving, en ik hoop dat men een oplossing kan verzinnen voor de dreigende leegloop. We verlaten Achel, de net niet Nederlandse abdij, en duiken al snel het bos in, met als einddoel Luyksgestel.

DSC09170

De modderige paden voeren ons door een natuur die op springen staat, talloze knoppen die zich binnenkort zullen ontvouwen tot frisgroene bladeren, merels die af en aan vliegen met bouwmateriaal voor hun nieuwe nest, waardoor er in mij een lentegevoel groeit, een van vernieuwing, nieuw leven en energie.

DSC09168Die energie komt meteen van pas als we ons net voor Borkel vergissen in de route. In het bos, die de Borkelsche Heide wordt genoemd, een verwijzing naar het verleden, komen we achter deze vergissing, keren op onze schreden terug en lopen in Borkel meteen tegen een café aan. Eigenlijk nog gesloten, maar “Ach, ik ben toch al open”. De verhalen van de barman over zijn vriend die zijn leven tragisch slijt in een Thais gevang en een “uitgeschoten” Gulpener Lentebock, stevig aan de maat met 8 %, doet het bloed sneller stromen.

We verlaten dit dorp, komen langs vervallen boerderijtjes die de indruk wekken van een verholen amfetamine-fabriek, volgen de loop van de meanderende Dommel en duiken de Plateaux in, een grenzeloos natuurreservaat, deels Nederlands, deels Belgisch dus, bestaande uit heide en vennen. Dat de natuur ook hier nog kwetsbaar is, zien we ook aan de bordjes van Natuurpunt, de Belgische tegenhanger van Natuurmonumenten, met als tekst “Gevoelig plekje”.

DSC09192

Via de mooie Bergeijkse vijvers, destijds in gebruik voor het kweken van vis en nu een waar paradijs voor vogels, komen we in Luyksgestel. De zich opdringende naamsgelijkenis met de mosterd- en zuurwarenfabriek is toeval, wel bestaat er een band met het destijds prinsdom Luik, waarvan het destijds, 17e, 18e eeuw, een enclave was. Het diende als veilig toevluchtsoord  voor de rooms-katholieken in het toen overwegend protestantse Nederland.

De gastvrouwe van ons oord staat al met de deurkruk in haar handen als we aan komen wandelen en overspoelt ons met een ware zorg-tsunami. We moeten meteen gaan zitten, “Jullie zullen wel moe zijn”, “Wat willen jullie drinken ?”, “Wat zal ik op je toastje doen ?”. Haar man Joop is de spreekwoordelijke rots in de branding.

Volgens Dicky zijn de eetgelegenheden in Luyksgestel maar zozo, en dus stelt ze ons voor met hen mee te gaan naar Eersel. Een goed voorstel, want Eersel blijkt een klein en knus dorp, met een mooie brink, mooie oude panden en dus niet voor niets een der acht Zaligheden. Hoewel, de acht Zaligheden hebben volgens de overlevering hun bijnaam te danken hebben aan de Hollandse militairen die hier tijdens de Belgische Revolutie rond 1830 ingekwartierd waren en de streek als armzalig bespotten. De sel-ligheden, ook wel armzaligheden genoemd, werden toen smalend omgezet in Zaligheden. Terwijl Dicky en Joost luisteren naar Joods gezang in het nabijgelegen kerkje, genieten wij van culinaire zaligheden. Voor mij verschijnen scampi in knoflookolie, naadloos gevolgd door malse varkenshaas. Een moutige La Trappe dubbel dient als begeleiding en aanloopje op onze komende abdij.

Tijdens dit feestmaal hebben we mooie gesprekken over ons beider leven, met aspecten als onze kinderen, werk en seksualiteit. Tot Dicky en Joost, de laatste compleet met baret, binnenkomen, en ons weer meenemen naar hun gastvrije huis. Met een glas wijn binnen handbereik praten we nog even verder met dit levendige koppel.

(wordt vervolgd)

Tekst en foto’s : George Nelis

Tour des Trappistes

George Nelis heeft de nobele gedachte opgevat om zijn Tour des Trappistes te voet af te leggen. In 2-wekelijkse bijdragen vertelt hij zijn pelgrimstocht.

Tour des Trappistes tocht 2 deel 3 : van Westmalle  naar Berkel-Enschot (La Trappe)

Vrijdag 2 november

Als ik ’s morgens de gordijnen open, kijk ik uit over een lege Grote Markt. Met het vertrekken van Allerheiligen zijn ook alle heilige koeien heengegaan.

DSC06550Ik verlaat Turnhout zoals ik gekomen ben en duik een uitgestrekt bos-, weide- en akkerlandschap in. Machtig mooi : de kraaien krijsen boven de kale maisstoppelakkers, en een vrolijk hippend winterkoninkje kondigt nu al het volgende seizoen aan.

Eenzame zandwegen en een miezerregen voeren me door een desolaat landschap. Mijn gedachten zijn even vluchtig als de ontmoetingen met enkele boeren op hun tractor. Een afstekertje van ’n km laat ik aan me voorbijgaan, want er zouden grafheuvels te zien zijn, tumuli uit de Urnenveldtijd, zo’n 700 voor Christus. Mijn archeologiehart gaat weer gloeien als de vinger van E.T. Maar het enige dat ik door de afrastering ontwaar, zijn enkele hopen betonafval van ongeveer 2005 na Christus.

In Ravels ga ik op zoek naar een kop koffie, liefst met een stuk vlaai. In cafetaria de Wouwer val ik echter voor een schone Vlaamse brunette, fraai gevormd, verfrissend, een goed mondgevoel en tintelend jong. Hoe vertel ik dit aan Coot ?

Mannen biljarten. Een van hen vloekt hardgrondig bij elke gemiste bal. Ik heb hem geen punt zien maken.

Gelauterd door Bacchus zelfe, de Vlaamse brunette dus, en met een smoske romige crabsla in en op de hand vervolg ik m’n tocht door de miezerregen.

Laat ik mijn gastvrouw van vandaag even bellen, om te laten weten dat ik onderweg ben. “Maar u zou toch gisteren komen ?!” klinkt er door m’n mobiel. Gloep ! Na een stilte die uren lijkt te duren, komen de verlossende woorden : “Nou, tot zo meteen dan”. Er is nog plaats gelukkig.

DSC06548De bossen zijn weelderig herfstig : zompige paden, een rood-bruin bladerdek en een zweem van rotting. Uren sop ik, terwijl de onzichtbare zon het langzaam voor gezien houdt. “Ik moet wel op tijd uit de bossen zijn”, echoët het af en toe door m’n hoofd en “Hoe kom ik in Hilvarenbeek ?”. Bij een café vraag ik de weg : “Esbeek is hier zo’n 3 à 4 km vandaan. Door het bos, alsmaar rechtdoor”. Het is al bijna donker…

Het begin is nog asfalt, maar al snel wordt het een breed zandpad, modderig en aardedonker, en vervolgens gewoon smal. “Ik loop toch wel goed hè !”.

Na de laatste kilometers naar Hilvarenbeek bel ik vermoeid en tevreden aan. Op de deur een sticker met de tekst dat wandelaars hier welkom zijn. Mooi. Als de gastvrouwe open doet, spreekt zij de historische woorden : “U doet toch wel uw schoenen uit, hè !” Een warm welkom. In de huiskamer blijft de heer des huizes diep weggedoken in z’n krant.

De thee die ik in de keuken krijg is gelukkig warmer dan het welkom. Dan voegt ook de heer des huizes zich aan de keukentafel. “U mag hier niet roken !”. Er zijn meerdere vormen van gastvrijheid.

Het centrum van Hilvarenbeek is gezellig, met meerdere lokkende eetgelegenheden. Ik eet bij de Zwaan, word attent bediend en geniet van lokale bieren van brouwerij de Roos. Rooie Fik en Konjel als illustere figuren uit lang vervlogen tijden.

Zaterdag 3 november

De duidelijke woorden van mijn gastheer over het niet mogen roken krijgen een luchtje als ik hem des morgens hoor rochelen. Het afscheid vertoont gelijkenissen met het weer, bewolkt.

In het centrum van Hilvarenbeek volg ik de LAW 11, die me de bewoonde wereld uit leidt, via een bos met de fraaie naam “Annanina’s rust”, naar het schijnt vernoemd naar de maîtresse van de notabele stichter,  en enkele zandpaden tot het Wilhelmina-kanaal. Een verbeten kanoër trekt met ferme klappen een tijdelijk spoor door het rustige water. Als ik hem vanaf een brug bekijk, volgt een bijna synchrone knipoog. Alsof we niets hoeven te zeggen om elkaar te begrijpen. Via landelijke wegen kom ik in Moergestel, waar ik bij de plaatselijke banketbakker een koffie met gebak geniet, terwijl ik vertederd toekijk hoe een jonge vader en z’n zoontje geurend brood bestellen. Die mooie broze verhouding tussen hen : beschermend en toch uitdagend, hem langzaam voorbereidend op later.

DSC06566

Verkwikt vertrek ik richting Koningshoeven. Tussen de bomen door zie ik de 3 karakteristieke kerktorens, die als een Heilige Drie-eenheid fier richting hemel priemen. Zoals de gastenbroeder Christiaan me al verteld had, is het gastenverblijf wegens de recollectio (stilteweekeinde) gesloten en kan ik hier niet overnachten. Daar de ontvangst-ruimte verbouwd wordt en de winkel nog niet open is, wandel ik verder, richting Tilburg. Het is een gewone zaterdag, en dus zijn er veel mensen op de been. In de grote winkelstraten is het slalommen tussen de met volgeladen  plastictassen behangen mensenmassa. Deze drukte bevalt me niet zo, gewend en verwend aan stilte en ruimte.  Gelukkig gaat ’s middags Kandinsky open, een net buiten het centrum gelegen speciaalbier-café. Daar geniet ik van een stevige Bersalis, een tripel waarmee van de opbrengst de brouwerij Oud Beersel weer nieuw leven ingeblazen kan worden. Zo schenk je aan anderen èn jezelf.

Ik verlaat het zaterdag-drukke Tilburg en wandel richting Berkel-Enschot, naar de Trappistinnen, waar ik zal overnachten.

DSC06575

Aldaar tref ik na enkele verbaasde blikken de gastenzuster, die aangeeft dat het eigenlijk tijd is voor de Vespers. Ik loop achter haar aan door de stilteopwekkende gangen en zit even later weer in de kerkbanken. Voor me nu geen mannen met donkere bassen, maar wit-met-zwart geklede vrouwen met bijna meisjesachtig hoge stemmen, vrouwelijk en fragiel. Dat maakt dit een ander klooster. Zo is er na de korte mis de broodmaaltijd : eenvoudig, geen franje, maar wel een klein vaasje bloemen op tafel, the female touch. Ik ben niet de enige man, voor me zitten moeder en zoon, waarbij hij me doet denken aan het typetje Ab van der Laak van van Kooten en de Bie, die tegen z’n zin in overal mee naar toe getoornd wordt. Na de maaltijd en het afwassen laat de gastenzuster me m’n kamer en ontmoetingsruimte op zolder zien. “De vloer kraakt wel, hoor !” zegt ze guitig, alsof ik me in nachtelijke avonturen ga storten. Dan verontschuldigt ze zich “dat de toilet wel ver lopen is, aan het einde van de gang”. Als ik haar vertel dat ik ben komen wandelen uit Westmalle, verschijnt er een ingetogen glimlach op haar open gezicht ; de ongedwongen gastvrijheid is innemend, laat alle ruimte aan mij als gast en noopt niet tot de gedachte “Ik wil wat terug doen”. Knap als je zo vrijblijvend vrijgevig kan zijn.

Na m’n bed met de stijfgesteven lakens opgemaakt te hebben, lees en schrijf ik wat. Wil ik nog gezelschap? Gezeten aan m’n tafel, realiseer ik me wederom dat ik me gelukkig voel, compleet en volmaakt. Een allesomvattende warmte verspreidt zich door mijn lichaam, tranen van geluk wellen op in m’n ooghoeken. Ver in de achtergrond dwarrelt nog wat van de calvinistische gedachte : “Waar heb ik dit aan verdiend ?”. Schoonheidsfoutjes.

Het is aards stil in het klooster, zelfs de krakende vloer lijkt in ruste. Lopend door de stille gang, waan ik me de enige bewoner. Hoewel, beneden in de inmiddels donkere eetzaal tref ik wat gezelschap aan, enkele fraaie blondines, die ik meeneem naar m’n kamer om er aldaar van te genieten, in het bijbehorende glas natuurlijk. La Trappe, je proeft de ingetogen stilte.

DSC06568

Zondag 4 november

Na een inspirerend Lauden en Eucharistie, tref ik moeder en “Ab” weer tegenover me aan de ontbijttafel. Zij hebben gisteravond vergeefs op me gewacht in de ontmoetings-ruimte. En ik maar denken dat ik de enige was die om gezelschap verlegen zat. Ik moet nog veel leren. Na deze broodmaaltijd neem ik afscheid bij de gastenzuster van vanochtend, die, net als m’n vrouw, Corine heet. Dit als een vloeiende overgang naar mijn aanstaande huiselijke leven.

Als ik door Berkel-Enschot terug naar Tilburg loop, is alles nog in diepe rust. Alhoewel, in de verte hoor ik ’t grommen van een bolide : een knalrode Ferrari, laag bij de grond, V12 achterin en een verdacht jonge man voorin, komt met veel machtsvertoon voorbij. Als ik omkijk, geeft hij nog eens extra gas. Zoveel kracht met èèn voetbeweging. Even verder staat een klein meisje met haar handen tegen het raam naar buiten te kijken. Als ik naar haar zwaai, kijkt zij me, haar hoofdje schuinhoudend, onderzoekend aan. Haar moeder zwaait terug. Zoveel kracht met èèn handgebaar.

De trein brengt me in minder dan een uur in Culemborg, waar Corine, niet de gastenzuster maar mijn dierbare vrouw, op mij wacht. Na enkele brunettes en blondines blijkt zij toch weer de enige echte.

Tekst & foto’s : George Nelis

Gepubliceerd in:  on 09/09/2009 at 17:44 Laat een reactie achter
Tags:

Tour des Trappistes

George Nelis heeft de nobele gedachte opgevat om zijn Tour des Trappistes te voet af te leggen. In 2-wekelijkse bijdragen vertelt hij zijn pelgrimstocht.

Tour des Trappistes tocht 2 deel 2 : van Westmalle  naar Berkel-Enschot (La Trappe)

Woensdag 31 oktober

De combinatie Hendrik Jan en de komende wandeling naar Zoersel houden me tot de vroege mis onder de gesteven lakens. Grappig overigens dat er in de mis voluit wordt gezongen en dat er tijdens het ontbijt om stilte wordt verzocht.

Na de afwas heb ik een boeiend gesprek met een der monniken : hij heeft weinig hoop op verandering in de Katholieke kerk, ziet meer in een wending richting het Boeddhisme, waar er meer vrijheid en openheid is voor de aanhangers, dit in plaats van het aangetrokken corset vanuit Rome. Novicen houden het dan ook niet lang uit binnen de muren van Westmalle, en mede daarom ziet hij de almaar toenemende leeftijd als bedreiging voor het voortbestaan van de abdij.

DSC06503_1

Mijn bladerbak is gerepareerd, jawel, en ook de bladblazer mag weer op de schouders. En dus hark en blaas ik als nimmer tevoren, en ik moet zeggen, ik word er handiger in. Ook het legen van de bak, gisteren nog een beschamende vertoning, voer ik handig en efficiënt uit : bak na bak stort ik op de hoop, naast de bitterruikende hopbloemen. Gezellige babbeltjes zijn de kaarsjes op de taart : een oude broeder, te fiets, met gebreide grijze muts mèt pompoen, vraagt of ik de bladeren er ook weer allemaal aanplak. Zijn gezicht staat guitig. Heerlijk. Ook de pater in het bescheiden winkeltje, Pater Modestius, praat met kuiltjes in z’n wangen. Mooie ontmoetingen.

Na het middagmaal, salade, frieten en stoverij, geflankeerd door een tweetal Extra’s, neem ik afscheid van bB, “Gij zijt welkom” en deze bezielende plaats.

De overgang is groot. Want groter en grootst zijn de huizen in de “bomenbuurt”. Als ik de mensen aankijk in het voorbijgaan, schieten de blikken weg, ben ik een vreemdeling. De abdij mag dan niet meegaan met z’n tijd en gesloten overkomen, de zogenaamde vrije wereld laat ook een beperkte blik zien.

DSC06507_1

Als ik het Zoerselbos induik, vind ik wat ik zoek. Herfst ! Een laagstaande zon, kalende bomen, plassen en modder van een frisse herfstbui en die aardse paddestoelenlucht ! Via een gevarieerd bos, compleet met beekjes, waaronder de Monnikenloop …, kom ik via het imposante kasteel Zoerselhof de gelijknamige gemeente in. Ik ga richting centrum, de straat waar mijn onderdak voor vannacht is, is vast in de buurt. Een locale fietster helpt me uit de droom : “U moet ongeveer twee kilometer terugstappen, tot de nafta”. M’n voeten jubelen.

“Mijn“ straat begint met meerdere boerderijen, maar deze gaan langzaam over in steeds nieuwere en grotere bouwsels, waarbij mijn no. 88 er architectonisch uitknalt. Jé, als een foto uit een glossy woonmagazine, zo een waarbij Jan de Bouvrie met een glas witte wijn bij de brandende open haard staat, als art director.

De sleutel ligt zoals afgesproken onder de spreekwoordelijke bloempot en ook de studio is strak ingericht.

Na een verkwikkende douche hijs ik me in de kleren en op de fiets om ergens wat te gaan eten. De Boer van Zoerzel, lekker dichtbij, bekoort niet van buitenaf en dus pedaleer ik richting Zandhoven, dit op aanraden van Beatrice, mijn tot nu toe virtuele gastvrouwe. Maar café Sport, wijd en zijd geroemd om z’n wild, is akelig donker als ik aan kom trappen. S met een grote S. Terug maar naar de Boer met de grote B ?

Al terugfietsend zie ik vanuit mijn ooghoeken Joni ! Niet onze lieve en mooie dochter, maar een kroeg met haar naam. Daar mòet ik wat drinken, voor Joni en “tegen de dorst”. Nippend aan een Westmalle Tripel, even afkicken, vraag ik naar de oorsprong van de naam van deze kroeg. “Awel, dat is gekomen van onze beide voornamen. M’n vrouw heet Nicole en ik heet Jef”. …

Ik heb me vergist in de Boer. Hoewel ik eten in m’n eentje duidelijk minder vind, vergoedt het menu veel : scampi met witloof en basilicum, lamsrug met rode wijnsaus en walnotenijs met warme krieken na.

Tevreden rij ik terug, bel aan bij Beatrice en zit vervolgens met haar man Dirk in een strak minimalistisch huis aan de witte wijn. Mooi, modern en minder. Minder omdat er weinig staat, waardoor de ruimte ruimte blijft, net als in de abdij Westmalle, maar ook minder omdat het gesprek net zo leeg is als de inrichting. Er is nog geen vonk.

Als de witte wijn van tafel gaat, Dirk moet weer om 06:00 op, want hij gaat naar zijn Nederlandse vestiging in Deventer, zoek ik in m’n studio Ulrich Schnauss op, een bedwelmende melodie.

Donderdag 1 november

Ook het ontbijt is architectonisch verantwoord : het servies, rechthoekig want handig, is op elkaar afgestemd, de beide jammen zijn met gevoel voor detail in spierwitte bakjes gedrapeerd, ieder met z’n eigen, spierwitte, lepeltje en de koffie zit in een handige, bijna zitzakvormige houder, van naamgenoot Georg Jensen.

Beatrice heeft alles met gevoel voor gastvrijheid verzorgd en geniet zichtbaar als ik vraag of ik ook haar keuken mag zien. Ook het afscheid is stijlvol en prettiger dan de aankomst van gisteren : “Als je geen onderdak vindt, bel je maar. Ik kom je dan wel halen”. Aardig.

Via het gehucht Eynhoven met het typische driehoekige dorpsplein, de zogenaamde dries, naar Frankisch model, schamp ik de E34 en duik daarna via een brede dreef de bossen is. De bossen zijn mooi, de herfst spettert in het rond.

DSC06519_1

In het dorp Wechelderzande tref ik het : het is vandaag Allerheiligen en ondanks dat dit gevierd wordt in België, compleet met kerkgang, is de bakker-op-de-hoek open. En dus duik ik met een smoske oude kaas, mijn favoriet crabsla zag ik te laat, weer de bossen in en kom via een zandverstuiving met de naam Konijnenberg aan in Vosselaar. Deze plaats geniet enige faam als Mariabedevaartsoort. Binnen in de meer dan 500 jaar oude Onze Lieve Vrouwkerk brand ik traditiegetrouw een kaars voor m’n dierbaren. Tegenover de kerk staat, ook traditiegetrouw, een café.

DSC06528

Een heerlijke Orval later vervolg ik m’n reis, en wandel over zandpaden, om bij het kanaal Antwerpen – Turnhout – Dessel uit te komen. Langs het jaagpad en een schilderachtig gelegen en met grote vijvers omgeven kasteeltje, met de naam Boones’ Blijk. Hier werd in de 18e eeuw linnen en garen gewassen en gebleekt. Enkele kilometers verder nog meer historisch erfgoed : het Bels lijntje, de eind 19e eeuw aangelegde spoorlijn van Antwerpen via Turnhout naar Tilburg.

Een schitterend Begijnhof is mijn entree in Turnhout. Destijds bewoond door zedige vrouwen, die “door het stipt  bijwonen van de erediensten hun aspiraties tot een volmaakt christelijk leven wilden realiseren”. Een portierster waakte over het komen en gaan van de Begijnen en ook nu gaat deze oase van rust elke avond dicht.

In een café op de Grote Markt vraag ik naar onderdak. Bed & breakfast zit er niet in, het wordt het Leffe-hotel, niet echt m’n favoriete bier. Misschien dat ik daardoor met gemengde gevoelens naar binnen ga, maar de vrouw achter de balie gunt me geen blik als ik incheck. Haar collega’s binnen vullen gastvrijheid anders in, waardoor de fazantenfilets Brabançones, met witloof en, ik heb tenslotte veel in bossen gelopen vandaag, denneappelcroquetten, heerlijk smaken.

Net als de Rochefort 12, die ik een café verderop als afzakkertje geniet. Het haardvuur knapt, de bediening is prima, dat vind ik prettig.

Tekst & foto’s : George Nelis

Tour des Trappistes deel 6

George Nelis heeft de nobele gedachte opgevat om zijn Tour des Trappistes te voet af te leggen. In 2-wekelijkse bijdragen vertelt hij zijn pelgrimstocht.

Tour des Trappistes tocht 2 deel 1 : van Westmalle  naar Berkel-Enschot (La Trappe)

Maandag 29 oktober

Als een tergende striptease ontdoen de bomen zich langzaam van hun vlammend geel gebladerte, en tonen daarmee hun kille naaktheid. Het zijn dezelfde bladeren waar ik de komende week doorheen hoop te wandelen op m’n tocht van Westmalle naar Berkel-Enschot, het tweede deel van mijn Tour des Trappistes.

Vandaag reis ik met trein en bus naar Westmalle, waarbij ik de herfst alleen door het raam mag bekijken. Aanraken en meemaken van dit intense seizoen komt later.

In Dordrecht stap ik over op de internationale trein die me naar Antwerpen zal brengen. Net op het moment dat ik in overpeinzing het raam uitkijk, passeren we het station Kijkuit.

In het Turnhoutse stadscafé op de Grote Markt, waar anders, nuttig ik m’n eerste bier : een Corsendonk, goudblond als de herfstbladeren en frisbitter als een trage herfstbui. De herfst is een dankbaar seizoen, waar m’n binnenste buiten wil en mijn buitenste, na enige tijd, weer naar binnen.

De Lijn lijn 410 zet me af bij café Trappisten, recht tegenover de ingang van de abdij Westmalle. Het is gezellig binnen en de dubbel van het vat smaakt wonderbaarlijk zacht. Ik denk aan Yoeri, Jarno, Bas en Jos. Met hen zou ik hier graag enige tijd vertoeven, nippend aan nog een, prikkend in trappistenkaas, genietend van elkaar en al stilletjes verlangend naar een bourgondisch hoofdgerecht.

DSC06497_1

Het worden dunne bruine boterhammen, met ham en smeerkaas, als avondmaal in de abdij, nadat broeder Benedikt, bB in z’n email, me heeft ontvangen. “George ?” is zijn eerste vraag. De klik is er meteen. Een prettig mens.

DSC06469

Naast me aan tafel zitten 2 jonge jongens, die me doen denken aan onze zonen Yoeri en Jarno. Muisstil eten zij hun brood op. Mogelijk is men in België geïnspireerd door de woorden van Ignatius van Antiochië, die ook hier in de hal hangen : “Λoγoς απo Σιγης Πρoελθων” : “Het woord is van stilte herkomstig”. Stilte is hier als het ware een pseudoniem, een eerbiedig benaderende omschrijving van God.

Ik denk aan Coot, die zo kan genieten van de stilte die ze vraagt voor elke maaltijd.  En zo passeren in korte tijd meerdere mensen die ik liefheb de revue. Is dit omdat ik “alleen” ben ? Omdat ik weg ben uit hun midden ? Zoek ik daarom het klooster en de stilte van de eenzame wandeling ? Ik vind het heerlijk, alleen zijn is voor mij een zijn.

Na de gezamenlijke maaltijd en dito afwas kunnen we bij bB trappist bestellen, om gezamenlijk van te genieten in het ontmoetingszaaltje. En morgen, morgen mag ik lekker harken, om me nuttig te maken. Zalig tot m’n enkels in de bladeren, heilige bladeren.

Dinsdag 30 oktober

Zo te zien ben ik niet de enige die wat moeite heeft met het vroege tijdstip. Ook bB geeuwt tijdens de nachtwake af en toe openlijk. 4:00 is dan ook vroeg. Er wordt veelal gezongen en omdat ik geen missaal heb noch de gezangen herken, voltrekt deze mis zich voor mij op enige afstand. De kerk is vrij nieuw en maakt een moderne indruk, iets wat niet gezegd kan worden van het merendeel van de broeders en paters, want buiten een, net als in Rochefort, neger van begin 40, schat ik de rest zo op vanaf ergens in de 50 tot ver over de 70 jaar. Hoe zal dit zijn over een jaar of 10 ?

Na dit vroege rijzen voor de nachtwake kruip ik nog even terug in m’n bed waarna de wekker me wakker doet schrikken.

Een kletterende douche en dunne boterhammen met dikke plakken Westmalle kaas brengen me de juiste energie voor deze dag, want buiten wacht de hark en kruiwagen al op me.

DSC06473

En, meteen op de eerste dag al promotie, als de tuinman me een heuse bladblazer op de schouders hijst. 2-takt, met choke en cruise-control. Een ware en waardige Hendrik Jan ! En dus blaas en hark ik uur na uur, kruip en sluip ik onder de struiken, des morgens slechts onderbroken door de eucharistie. Bij deze mis voel ik me meer betrokken, met name omdat het op een Nederlandse mis lijkt, dat wat ik nog ken uit m’n jonge jaren. Alleen zat ik toen beukennootjes etend en luidkletsend m’n tijd uit te zitten, terwijl ik nu vrijwillig kom en geniet van enkele wat oudere paters en broeders, die met een mooi binnenpret-gezicht de dienst meemaken. Net als destijds in Rochefort worden we ook hier tijdens de communie rond het altaar genood. Zo heb ik beter zicht op de paters en broeders. Er zijn er meer dan vanmorgen vroeg en hun kwetsbaarheid door hun hoge leeftijd met bijkomende kwalen, valt nu nog meer op.

Ik heb zo m’n eigen problemen, want hoe krijg ik op een fatsoenlijke manier mijn eerste kruiwagen leeg ? 1 ½ meter hoog, tweewielig en tot de nok geladen met bladeren. Daar sta ik dan bij de vuilstort, na een rit over zo’n beetje het gehele terrein, langs, o terging, de brouwerij, waar de wortzoete nevels me bedwelmend in de neus kietelen. Leegscheppen van de kruiwagen zie ik niet zitten, en de zijschotten lijken onlosmakelijk verbonden met het onderstel. Oei, hoe zou de tuinman dit doen ? Dit mòet ik oplossen, degradatie dreigt. En nù al afscheid nemen van m’n bladblazer, ik weet niet of ik dat trek.

Hup, omkiepen die bak, daadkrachtig ! Er klinkt ook een krachtig gekraak … Ik krijg het warm … Ik heb het toch niet gesloopt hè !

Een onverwijlde uitzetting uit dit groene metier schiet door m’n hoofd. Ik mòet dit oplossen. Maar hoe ik ook trek en duw aan de diverse planken, ze geven geen krimp. Als ik de kruiwagen weer op z’n pootjes zet, wordt de schade ernstig zichtbaar : van de voorste plank is de geleider wreed van het hout gerukt, diepe wonden tonend. “Guilty, your honer”.

Bij dit vertoonde gebrek aan techniek, zet ik alles maar op inzet en schep met minstens zoveel moeite als ze er in gingen, de bladeren op de vaalt. Drie kruiwagens later heb ik de lostechniek door.

Het warme middagmaal heeft dan inmiddels weer wat wonden geheeld, want als ik als eerste de eetzaal binnenkom, fonkelen de Westmalle bierglazen me tegemoet, geflankeerd door het refterbier, de Extra, met gele dop en zonder etiket. De zonnestralen die door de glas-in-lood-ramen naar binnen schijnen, zijn recht op de flesjes gericht, alsof de Heere zelf z’n schijnwerpers heeft aangezet : “Hier zijn ze jongen. Het is je gegund !”.

DSC06471

Aan mijn tafel zit ook Lieven. Hij is leraar Nederlands en kent vele grappige taal-eigenaardigheden. Zo noemen ze een slavink hier een vogel zonder kop. En de Nederlandse uitdrukking : “Hij ligt voor Pampus” zorgt voor grote verwarring bij de Vlamingen, daar ze het woord Pampus niet kennen. En aldus verwordt deze uitdrukking tot “Hij ligt voor Pampers”, de luiers dus. Ook de Vlaamse zinsbouw komt mij anders en grappig over. Zo staat op de wc het volgende : “Laat ’t toilet proper en rein, want achter moeten er ook nog mensen zijn”.

De rest van de middag hark ik, schep ik en rijd ik. De bladblazer heb ik terzijde gelegd, als impliciete degradatie.

De avond breng ik, net als gisteren, met z’n drieën door, ik zelf en twee flessen Dubbel. Want het ontmoetingscentrum aan de overkant van het gastenverblijf blijft wederom leeg.

Tekst en foto’s : George Nelis

Gepubliceerd in:  on 02/07/2009 at 00:16 Laat een reactie achter
Tags:

Tour des Trappistes deel 5

George Nelis heeft de nobele gedachte opgevat om zijn Tour des Trappistes te voet af te leggen. In 2-wekelijkse bijdragen vertelt hij zijn pelgrimstocht. Hier deel 5 !

Tour des Trappistes deel 5 : van Orval naar Rochefort

Dinsdag 22 mei

De ochtendmis is hier duidelijk minder bemenst dan in Orval. Deze laatste heeft dan ook een iets opener karakter èn is toegankelijk voor vrouwelijke retraitanten. De dienst heeft een intiem karakter, zo staan we tijdens de communie gezamenlijk rond het altaar.
dsc05282

Na het ontbijt, alleen, want Bruno slaapt nog of leert al, schrijf ik wat, terwijl er aan mijn overkant al volop “leven in de brouwerij is”, getuige de door de glas-in-lood-ramen schimmige figuren die al rondlopen en rokende schoorsteen. Dan wordt er op de deur geklopt : het is Bernard Lezaire, een aardige man. Hij vertelt over de do’s en don’ts en dat ik mogelijk ’s middags frère Antoine kan ontmoeten. Hij spreekt als enige en misschien voorlopig wel laatste monnik Nederlands. Als Bernard vertelt dat frère Antoine in de brouwerij heeft gewerkt, zie ik de hemel langzaam opengaan. Een voorzichtige vraag in die richting brengt me weer op aarde : de brouwerij is niet toegankelijk voor mij. De ochtend breng ik door met een lange wandeling in het zonovergoten park : een troep ganzen, mams voorop, dan 4 grote pluizebollen en paps achteraan, doet me aan ons gezin denken. Ook dwalen m’n gedachten af naar m’n werk : wil ik hiermee doorgaan ? En zo ja, hoe lang dan nog ? Of ga ik wat anders doen ? Maar ja, wat dan ?
dsc05280Na het middageten, tezamen met Bruno, trek ik me weer terug op m’n kamer, in stilte, alleen met m’n gedachten. Dat is na èèn dag aanwezigheid alhier dan toch wel het resultaat : èèn met jezelf, wat is er belangrijk en wat niet (meer).
Om 3 uur heb ik afgesproken bij Bernard. Het wordt een wandeling zonder frère Antoine, helaas. Bernard neemt me mee naar de tuin van de monniken zelf, langs de oude bakkerij, het “zwembad van de paters”, dat nu dienst doet als verblijfplaats voor 1000-en kikkervisjes en enkele grote karpers, en de begraafplaats. Hier liggen de overleden broeders en paters begraven, keurig gerangschikt op de dag van hun heengaan. Vreemd genoeg staan hun geboortedata niet vermeld.
De tuin van de ontmoeting, de keuken en de imposante bibliotheek vormen de laatste onderdelen van deze rondleiding.
Met lezen en schrijven vul ik de tijd tot het avondeten. Deze keer hebben Bruno en ik gezelschap : een pater van elders vergezelt ons aan tafel en geniet zichtbaar van de broodmaaltijd en met name de Chimay-kaas. Die van Rochefort zelf heb ik hier vreemd genoeg nog niet gezien. dsc05288Na het eten en de gezamenlijke afwas, dekken we de tafel voor morgenochtend. Zo heeft de dag meerdere vaste momenten, die er een zeker ritme aan geven, welke nog wordt versterkt door de keus om aan een of meerdere van de vele diensten deel te nemen : van het vigile om 03:30 tot en met de avonddienst van net na 19:00. Voor de 14 broeders en paters alhier is het dan ook een uitdaging om al hun werk tussen deze diensten te verdelen. Zij worden hierbij bijgestaan door ongeveer 20 leken, waarvan het grootste deel in de brouwerij werkt. De laatste groep zo te zien alleen tot de middag, want in de brouwerij zie ik nu geen activiteiten meer.
Nu ook mijn activiteiten op een einde “lopen”, verlang ik weer naar Coot en onze kinderen : hen te zien, te horen en te voelen, mijn verhalen te vertellen, naar die van hen te luisteren en met deze mooie bagage weer de wijde wereld in te stappen.

Woensdag 23 mei

Als ik de ramen open drijft de weeïig-zoete wortlucht m’n kamer binnen. Als delicaat begin van de dag een teaser uit de voor mij vooralsnog gesloten schatkamer.
Het is bijna tijd voor de mis en dus loop ik, nu binnendoor, door de gangen naar de kerk. Op deze manier heb ik het gevoel er al meer “bij te horen”, meer onderdeel uit te maken van de gemeenschap alhier. Dit gevoel wordt nog intenser als ik zie hoe liefdevol de paters en broeders elkaar tijdens de vredezegging omhelzen.
Vredig zet ik me dan ook aan het ontbijt, links en rechts bijgezeten door paters van elders. Na het eten, iets meer, want ik weet niet wanneer ik weer wat krijg, ruim ik m’n kamer op, pak m’n rugzak en heb dan eigenlijk al afscheid genomen. Met enige moeite, want in deze korte tijd heeft het leven alhier behoorlijk indruk op me gemaakt. Als ik wil afrekenen is Bernard niet in zijn kamer. Ik heb toch meer dan genoeg tijd om lopend de trein te halen. Maar Bernard denkt daar bij terugkomst duidelijk anders over : “Er gaat ook een bus om 10 over 9 !”. Het door hem aangeraden binnendoorweggetje komt me, met mijn gevoel voor richting, vergissingsgevoelig over.
Ik bedank Bernard voor hun gastvrijheid en trek even later voor het laatst de poort achter me in het slot. 100 meter verder ben ik al aan het hardlopen, zo zeker ben ik van m’n zaak … Mijn voeten voelen opmerkelijk goed na een dag rust. Een goede les voor m’n volgende wandeltochten.
dsc05294

Binnen no time ben ik in Rochefort aangeland, maar het station in het naastgelegen Jemelle, een dorp naar het model lintbebouwing, bevindt zich, uiteraard, aan de andere, verste kant van het lint. En dus zijn er nog maar enkele schamele minuten over als ik zwetend het perron op kom rennen. Ok, perron 6 volgens het bord, maar deze is afgesloten. Snel, snel naar het loket. “Spoor 4″ luidt het antwoord, zoals ik nu ook op de aldaar hangende monitors zie, en, de vertraging van ’n kwartier van mijn trein … Ik heb toch veel bijgeleerd de afgelopen week. Tja, en dus nog tijd genoeg voor een baguette met crabsla, die mij hier zo maar in de schoot komt vallen. Met crudité. De treinreis voert me weer geleidelijk naar de bewoonde wereld, de wereld waar ik weer bij m’n gezin zal zijn, waar ik weer constant onder de mensen zal zijn en waar de klok weer tikt.
Zoals in het zonovergoten Den Bosch, waar ik in een race tegen hem de stand op 1-0 zet, met als hoofdprijs ’n doos Bossche bollen, de echte van Jan de Groot. De eerstvolgende stoptrein brengt me naar Culemborg. Daar staat Coot op me te wachten, en, onderaan de trap, met jeugdige desinteresse, Joni en Jarno.
En terwijl in me het vredige vuur brandt als gevolg van m’n geslaagde solotocht, wil de BBQ maar slecht vlam vatten. Dan gaat het de kip even later beter af : licht verbrand verlaat zij het rooster, terwijl de verhalen over tafel gaan. Het doet me goed dat ik weer thuis ben, bij Coot en onze kinderen, terwijl ik ook al weer stiekem denk aan de volgende tocht : Westmalle – Berkel-Enschot. Samen met Yoeri ? (Wordt vervolgd !)

Tekst & Foto’s : George Nelis

Gepubliceerd in:  on 07/05/2009 at 00:12 Laat een reactie achter
Tags: ,

Tour des Trappistes deel 4

George Nelis heeft de nobele gedachte opgevat om zijn Tour des Trappistes te voet af te leggen. In 2-wekelijkse bijdragen vertelt hij zijn pelgrimstocht. Hier deel 4 !

Tour des Trappistes deel 4 : van Orval naar Rochefort

Zondag 20 mei

Een boerennacht, uiteraard op een hoeve als deze. Ik kleed me zachtjes aan en schuif aan de overvloedige ontbijttafel. Bij het afscheid drukt de vrouw des huizes me nog een fles bier in de handen, want “deze bruine had u nog niet geproefd”. Attent !

De voeten voelen goed en de route volgt een patroon vergelijkbaar met gisteren : eerst het dorp uit, dan het bos in, tot een weg of brug, vervolgens weer het bos in, enz. Op deze manier kom ik via Our en Lesse met hun beider gelijknamige rivier in Redu, bekend om zijn boeken en Europese ruimtevaart. Het is er druk, talloze boekwinkels inderdaad, nog meer toeristen en navenante prijzen in de café’s. De locale specialiteit, L’Ampounette de Redu, een frambozenbier van 7%, laat ik voor wat het is. Het plenst en dan heb ik meer behoefte aan een stevig bier zoals een Chimay tripel. Via Séchery kom ik in Daverdisse, de locale uitvoering van Wassenaar zo lijkt het. Grote huizen, brede en lange oprijlanen, een tuinman aan het werk. Hier wacht me een onaangename verrassing : want vanaf hier is het nog eens 10 km lopen naar Wellin en eigenlijk heb ik genoeg gelopen, zo laten m’n licht protesterende voeten weten. Als het bordje Wellin opduikt, komt er, raar hè, weer wat energie terug. En zoals beloofd vind ik tegenover de Colruyt m’n chambre d’hôtes “Les Terrasses”, een statig herenhuis. Eerst even naar de bank voor wat baar geld. Op de stoep voor de Fortis, het kan treffen, zijn twee dames bezig met de voorbereidingen in hun mobiel frietkot, aardappels schillen, vet op temperatuur brengen, terwijl aan de overkant van het plein een vaste friettent en “La truite argent” om de lekkere en snelle honger strijden.
Bij het herenhuis wordt er opengedaan door een alleraardigste meneer : hij praat met alle plezier Nederlands voor me, dank u wel, heet André en gaat me voor op een imposante kraaktrap. Ook het huis maakt een belegen indruk : het ruikt oud en alle spullen staan, zo lijkt het, al 10-tallen jaren onaangeroerd op dezelfde plaats. Een levend monument. Terwijl mijn van zweet doordrenkte kleren op een hanger uitwasemen, schrijd ik via de statige trap naar beneden, alwaar een Rochefort 6 op me wacht. André nipt aan een port en vertelt over zijn familie, zijn kinderen en kleinkinderen, over z’n talrijke vrienden, de vele gasten die hij en z’n vrouw jaarlijks herbergen èn over zijn hartproblemen. Hij moet het rustiger aan doen van de dokter en mede daarom staat hun huis inmiddels te koop. De twee eerder genoemde dames weten nog wat frieten maken is : zelf snijden, voorbakken en dàn afbakken. Als een goed op elkaar ingespeeld duo helpen ze hun klanten aan een snelle hap, daarbij ook nog eens geduldig luisterend naar een vrouw die ononderbroken doorratelt. Op tijd “Zo ?” en “Och“ zeggen èn van eten voorzien, eigenlijk zijn ze sociaal werkster. Knap !
dsc05262Terug in mijn chambre d’hôtes gaan m’n gastheer en z’n vrouw een film kijken. Als ik wat nodig heb, moet ik maar op de deur kloppen. Maar als ik na enige tijd zin krijg in een stevige 10, en ik bons na wat eerdere, rustige pogingen met een kracht van 10 op de schaal van Richter op de deur, volgt er geen reactie. Bij de andere deur aangekomen blijkt waarom. De tv staat keihard waardoor er niets van buiten naar binnen doordringt. Als ik de deur open, kijken de twee lieve en verbaasde oudjes me geschrokken aan. Met de 10 achter m’n kiezen en ruim de benen, kies ik voor het ruime sop.

Maandag 21 mei

Als ik ’s morgens beneden kom, word ik hartelijk ontvangen door André, nog in pyjama gekleed en met een spatel in de aanslag voor een heerlijke roerei met ham, van eigen kippen, de eieren dus. Tijdens het ontbijt hebben we een prettig gesprek over de dingen van het leven : zijn leeftijd, nu 70 jaar, hoe snel dit is gegaan met wederom het dringende advies “Carpe diem” en de eerder genoemde problemen met z’n hart, ook na enkele operaties. We nemen afscheid.

Net buiten het dorp, het stokbrood van de locale bakker als een totem aan de zijkant van de rugzak, mag de regenbroek weer aan, terwijl links en rechts van me jonge koeien me schaapachtig aankijken.
Na de plaats Chanly, vind ik de Lesse weer aan mijn rechterzijde en breekt het wolkendek, m’n vrind de zon en even later loop ik als een volleerd profeet over het water van de Lesse Han binnen, met, ok, wat hulp van een brug. Heel lang geleden was ik hier met Pa Lavrijssen en Jos, na een memorabele tocht vanuit Houyet en vorig jaar waren Pa Lavrijssen en ik hier weer, tijdens een rondrit. Het café waarin we op deze beide momenten een, wellicht meerdere, glazen hebben geheven, is helaas nog dicht en dus zet ik me neder bij de buurman. De Rochefort 8 glijdt als vanouds naar binnen.
dsc05248

De kilometers naar de gelijknamige stad zijn fraai : een klaterend beekje door een zondoorstraald loofbos, terwijl op een open plek de fris zwart-oranje Atalanta aan het zonnebaden is. Via Rochefort loop ik de laatste kilometers tot de abdij. Mijn schoenen dampen en mijn voeten zijn aan rust toe. Maar bij de Porterie, de met Bernard Lezaire afgesproken ontmoetingsplaats, vind ik niemand en ook na enig “belletje lellen” aan een nog echte trekbel gaan er geen poorten open. Dan valt m’n oog op een schrijven achter het venster : het meldt dat de Porterie tot 17:00 bemand is. Het is 17:15…dsc05267
Vanuit de kerk klinkt wel leven en wel gezang : het Vespers is nu bezig, dus de paters zullen me na deze avonddienst wel binnen laten, zo is mijn naïef positieve gedachte. Terwijl ik wacht op wat komen gaat, parkeert er een auto, waar een monnik uitstapt. “Hé, ik ken hem !” flitst er door me heen. Hij aanhoort m’n verhaal, vertelt dat Bernard rond 17:00 is vertrokken, opent de imposante poort en brengt me naar binnen. Ik heb een wonderlijk en avontuurlijk gevoel over me alsof ik in een schatkamer terecht ben gekomen, blij èn trots dat me dit gelukt is. Ik word naar de eetzaal gebracht, een toonbeeld van rust en ruimte : witte wanden, simpele modellen tafel en stoel, geen frutsels, en, gedekt voor twee. Frère Grégor zal zich later over me ontfermen. Dan verschijnt m’n disgenoot, Bruno. Hij is student en bereidt zich hier voor op examen. Anderhalve week achter anderhalve meter boeken, geen tv, geen internet, geen vriendin of vrienden. Alleen met jezelf. dsc05264De maaltijd, lasagne, brood en boter, en een Rochefort 6 als refterbier. Het smaakt me prima en na de verplichte, gezellige, gezamenlijke afwas verschijnt Frère Grégor ten tonele, een opvallend jonge, voor hier althans, neger met een onderzoekende blik. Hij brengt me naar m’n kamer. Deze is sober en strak : een gewelfd plafond, ondersteund door machtige bielzen, een wederom simpele tafel en stoel en een mooie planken vloer. Een halfhoge muur, met fraaie indirecte verlichting, scheidt het bed en de wastafel. Perfect.
dsc05272Er is uitzicht op het binnenplein en door de glas-in-lood ramen van de brouwerij aan de overkant, glimt het roodkoper van de brouwketels me uitdagend tegemoet. Zou dit heilige der heiligen nog wat voor me in petto hebben ? Na een douche schrijf ik wat. Buiten spelen de zwaluwen tikkertje in de avondzon. Ik voel me dankbaar en voldaan. (wordt vervolgd !)

Tekst en foto’s : George Nelis

Gepubliceerd in:  on 09/04/2009 at 00:41 Laat een reactie achter
Tags: , ,

Tour des Trappistes deel 3

George Nelis heeft de nobele gedachte opgevat om zijn Tour des Trappistes te voet af te leggen. In 2-wekelijkse bijdragen vertelt hij zijn pelgrimstocht. Hier deel 3 !

Tour des Trappistes deel 3 : van Orval naar Rochefort

Vrijdag 18 mei

Het was inderdaad af en toe wat frisjes, met een koude neus als stille getuige. De wandeling begint weer met de rivier als trouwe compaan, maar al snel verschillen de rood-witte tekens en de gids en kom ik na een boswandeling in Dohan uit, terwijl dit volgens de gids enkele kilometers buiten de route ligt. Maar bij twijfel volg ik gewoon de tekens. Wat me aan mezelf opvalt en misschien ook wel tegenvalt, is m’n kracht. En ook kennen m’n voeten inmiddels enkele pijnlijke plekjes. Rust ik wel genoeg ? Loop ik te ver ?Net op het moment dat ik Bouillon binnen denk te lopen, kom ik voor de tweede keer een paar Vlaamse wandelaars tegen. Zij gaan ook naar Bouillon en lopen precies de andere kant op… Met behulp van hun gids, gezond verstand en meerdere eigenlijk matig aangegeven routes, komen we dit toeristisch epicentrum binnen : het ronkt van de motoren, dagjesmensen bevolken de trottoirs en de terrassen en een rondrit-treintje waarin je nog niet dood gevonden wil worden, perst zich door de nauwe straten. Als ik een Orval tempéré bestel, kijken ze me wazig aan. Dit alles onder het wakende oog van het imposante fort, daar waar we lang geleden nog eens een kruissamentrekkende tentoonstelling hebben gezien over martelwerktuigen uit de middeleeuwen. Enkele lieden waren al net zo fijnbesnaard als nu.

dsc05227

Na een tunnel onder het fort door, voegt de GR14 zich bij de GRAE, gelukkig goed aangegeven. Bij het uitzichtpunt van Auclin, die een wijds panorama biedt over Bouillon en de omliggende gemeenten, scheiden de beide paden weer. Nog enkele kilometers te gaan naar m’n volgende onderdak, Sensenruth, een plaatsnaam die me Duits aandoet. In “Au passé simple” is alles op orde, de mevrouw, Monika, hippe bril, spreekt geen Nederlands, maar de mannelijke helft van een jong koppel, 18 jaar, durft. En zo ontspint zich een grappig gesprek in deels Frans, deels Nederlands over zaken als Vlaanderen – Wallonië, sport, en het culinaire van Nederland (hmm, veel verder dan erwtensoep, roggebrood en hagelslag kom ik niet) terwijl heerlijkheden als rog, varkenskotelet met een huidje van kaas en ui, witloof, appeltaart met ijs, geflambeerd met calvados voorgezet worden. Ik vraag nog een Orval, die ik op m’n kamer, gezeten onder een intrigerend schilderij, opdrink. Contouren van 2 vrouwenogen, haar neus en mond in zwart, de rest knalrood. Een uitdagende blik.

dsc05235

Zaterdag 19 mei

Een zalig ontbijt met eigen confitures, vooral die met abrikozen is rijk gevuld, en broodjes voor onderweg. Als ik naar boven loop om m’n spullen te pakken, valt m’n oog op het visitekaartje van de brouwerij van Bouillon. Wat blijkt namelijk ?! Deze is, de here begeleidt mij op m’n pad, alhier in Sensenruth gehuisvest ! Door almaar ontbrekende pinautomaten, zit ik wat krap in m’n baar geld. Als ik dit voorleg aan mijn gastvrouwe, zegt ze “Oh, geen probleem, dan betaal je toch gewoon als je terug bent in Nederland !”. Vertrouwen. De brouwerij, tactisch gelegen aan de doorgaande weg, is net open. Een aardige mevrouw brengt alles in gereedheid voor de groepen die vandaag komen gaan, want daar lijkt deze brouwerij op ingericht : groepen die met de bus een tour maken, beginnen met een (licht) bier, dan de rondleiding, nog een bier, een voedzame maaltijd met begeleidende bieren, en dan licht aangeschoten met een pakket bier onder de armen terug de bus is, op naar de volgende brouwerij. Terwijl de RVS-brouwinstallatie staat te glimmen, schenkt ze mij het Kerstbier in. Het is tenslotte ook vandaag weer feest ! Nadat ik in het locale schattige XIIe eeuwse kerkje een kaars heb aangestoken, deze keer voor Joni, die in een examendip zit, verlaat ik Sensenruth. Het is droog en de bossen wachten. Naaldbossen, bedoeld voor productie en als voor een appèl kaarsrecht achter en naast elkaar opgesteld, worden afgewisseld met imposante beukenbossen : dé ideale plaats voor massale “Did you hug your tree today ?”-workshops.Via een matig aangegeven route kom ik in het dorp Mogimont : weer zo’n dorp met nauwelijks leven op straat en waarvan veel huizen zichtbaar leeg staan. Hoe ziet dit dorp er over 10 jaar uit ? Via een cadans “stuk bos – steek doorgaande weg over” loop ik via Carlsbourg naar Naomé, mijn volgende verblijfplaats. In het bos hoor ik vreemde geluiden : korte stotende schreeuwen die snel achter elkaar herhaald worden ?! Wat zou dit zijn ? M’n gedachten slalommen tussen een feestje en een hondenclub. Als ik dichterbij kom, aanschouw ik een mooi ambachtelijk tafereel : stoere briesende paarden trekken behendig de gekapte boomstammen tussen de bomen door en middels een subtiel samenspel met de menners, een paar jongens van nog geen 20 jaar, worden de stammen keurig op een stapel gesleept. Een prachtig voorbeeld van de samengevoegde kwaliteiten van mens en dier.

dsc05236

Dan Naomé, een boerendorp met de typische grote linde in het centrum, compleet met monument voor de gevallenen in ’14 – ’18 en ’40 – ’45. En weer, massale leegstand. Een aardige vrouw doet open bij “La ferme du grande fréne”. Ze heet me, in het Nederlands, een hartelijk welkom en leidt me door hun knus ingerichte boerderij. Mijn kamer is een echte boerenkamer : planken vloer, een groot ouderwets 2-persoons-bed en een stoer balkenplafond. De sfeer beneden is al net zo gezellig : een knoert van ’n openhaard, zo een waar je ’n halve boomstam in een keer in laat verdwijnen en stoelen waar je heerlijk in wegzakt. De vraag of ik een eigen bier lust, betekent de zoveelste verwondering : om de streek wat meer bekendheid te geven, hebben ze bij Bios in Ertvelde een 2tal bieren laten brouwen, met de toepasselijke naam Bièvre. Er is de blonde van 6½ % en de bruine van 8½ %. Dat beide etiketten 6½ % vermelden “is voor de belasting”. De blonde smaakt, de open haard knettert, alleen de hoofdkaas met tranentrekkende mosterd, lief bedoeld als hapje erbij, laat ik voor wat het is. Er voegen zich twee koppels bij me, waarvan een met een chihuahua, mét, een pond overgewicht, waarbij weinig lijkt te helpen. Mijn vraag of een liposuctie iets zou zijn, slik ik net op tijd in. Voor het eten voeg ik me bij het hondenloze koppel, prettig gezelschap. Het andere koppel blijven onbekenden voor me, in zoverre dat zij de “Ollanders” wel erg direct vindt en “dat is nooit meer goed gekomen”. Het eten is weer feest : meloen met, hoe kan het hier anders, Ardennerham, zalige forel en crème brulée na. (wordt vervolgd !)

dsc05237

Tekst en foto’s : George Nelis

Gepubliceerd in:  on 15/03/2009 at 20:57 Laat een reactie achter
Tags: , ,

Tour des Trappistes deel 2

George Nelis heeft de nobele gedachte opgevat om zijn Tour des Trappistes te voet af te leggen. In 2-wekelijkse bijdragen vertelt hij zijn pelgrimstocht. Hier deel 2 opgedragen aan George’s schoonvader, overleden op 2 februari jongstleden.

Tour des Trappistes deel 2 : van Orval naar Rochefort

Woensdag 16 mei

Van de mis van 7 uur, die van 4 uur vond ik wat vroeg, kan ik al wat meer verstaan. Dat laat voldoende ruimte om na te denken over aardse zaken als “Waarom niet voor brood en bier gekozen, als respectievelijk lichaam en bloed van Christus ?”. Omdat wijn rood is ? En een Rodenbach dan, hè ! Alleen de naam al. Mijn laatste maal in Orval. Ik ga tegenover een man zitten die me al enige tijd intrigeert. In z’n oogopslag denk ik verdriet te zien. Maar veel verder dan het uitwisselen van enkele blikken komen we niet.Een nat begin, het plenst. Tot Florenville is het bekend terrein en ook mijn eerste Orval voelt zo aan. Het heeft me overigens wel enige moeite gekost om aan te geven dat ik graag een wat belegener Orval wil. Als ik op m’n beste Frans dingen zeg als : “… d’un demi an” of “… de l’age six mois” kijkt men mij onderzoekend aan met een blik van “Wat bedoelt die man ?”. Na enig over en weer aftasten blijkt “Tempéré” het toverwoord. Zou je een verse willen, dan is het “Frais”. Ik verlaat Florenville en vind in de rivier de Semois een langdurige bondgenoot.

Semois

Semois

Het is een schitterende route, die gelukkig goed bewijzerd is. Gelukkig omdat ik van het Frans in de gids nauwelijks chocola kan maken. Ja, “à gauche” en “à droite” begrijp ik, maar wat te denken van : “Le sentier s’enfonce dans la broussaile et la fange du rivage”. Tja. Via het gehucht Azy, veel onbewoonde en in mijn ogen onverklaarbaar bewoonde huizen, kom ik in Chassepierre. Meerdere café’s lonken, maar vooralsnog weersta ik deze lokroep. Mazzel, de camping de ligt strak aan de GR. Van het aardige Nederlandse stel, Yvonne en Klaas, krijg ik de beschikking over een ruime caravan. Na een eerste implosie doet de kachel het en neem ik een verkwikkende douche. In Le Forgerie in St. Cécile is het volgens Yvonne goed toeven en dus ga ik, lopend uiteraard, op pad. Maar als ik de stoelen omgekeerd op tafel zie staan, knort m’n maag opstandig. Het restaurant iets verderop is me te posh, en niet mijn stijl. Dan loop ik liever, weer langs de camping, naar Chassepière.

Chassepierre

Chassepierre

De friterie halverwege ruikt en reikt uitnodigend, maar het onontdekte lonkt. De kroegen die ik vanmiddag aan me voorbij zag gaan, zijn inmiddels allen dicht. Wordt het dan toch een frites + ? Hé, licht ?! Daar om de hoek ! Een eetgelegenheid ?! Joeplala ! Het is donker als ik terugloop, auto’s dimmen laat, en een laatste Orval in de caravan helpt om mijn ogen te dimmen.

Donderdag 17 mei

Een goddelijk ontbijt staart me aan : 3 gebakken eieren, broodjes, kof, kaas. Tralala. Yvonne heeft goed voor me gezorgd. Via St. Cécile verdwijn ik weer het bos in. Brede padden voeren me kilometers door eenzame bossen. Het is stil, en mijn enige companen zijn de talloze slakken, meestal naakt, in de kleuren grijs en oranje, en bij uitzondering mysterieus zwart. Zowiezo is Moeder Natuur hier gul : het bos is vol en dood materiaal wordt keurig bedekt met mos als ware het een doodskleed, en daarna door allerlei zwammen respectvol en langzaam gesavoureerd. Overigens stijg ik voor m’n gevoel zo veel vandaag, dat ik hiermee solidair ben aan de Hemelvaart-gedachte. Bij Tombeau de Chevalier, het graf van de ridder, geniet ik van het uitzicht op de lusvormige meander van de Semois en kauw ik op het inmiddels weke stokbrood met bezwete Chimay-kaas. Over Chimay gesproken, de Trappisten van Orval hebben ook hier hun sporen achtergelaten : destijds omvatte hun conglomeraat aan bedrijven ook een zalmkwekerij. Brood en visschen, jawel. Misschien rust ik te weinig, maar m’n voeten voelen een beetje “sour”. Het vooruitzicht op de mogelijkheden in de volgende plaats, restaurant, café’s en wellicht enkele chambres d’hotes, is hoopvol en trekt me verder. Als ik arriveer in Auby sur Semois, blijkt het een ghost-village te zijn. Geen eetgelegenheid, en, geen café. Dodelijk, zeker voor een Belgische gemeenschap. Wat ontbreekt zijn rollende struiken door de straten, als in een derderangs Western. “Nee hè” zeggen m’n voeten, “Nòg verder !”.

Semois

Semois

Enkele kilometers verderop bevindt zich een aan de Semois gelegen, wederom Nederlandse camping, genaamd Maka, genoemd naar de gigantische door waterkracht aangedreven ijzeren hamer, waarmee men vroeger in deze streek, rijk aan erts en hout, ijzer bewerkte.Het geluk is met mij (en m’n voeten) : ik kan een tipi-tent huren van Prosper, de eigenaar. Een verademende Orval met uitzicht op de rivier brengt nieuwe energie. De man aan de tafel naast me rolt dampende tagliatelle om z’n vork. Deze slierten liggen glimmend door elkaar gevlochten, omringt door bijna erotisch roze scampi. Een diep gegrom stijgt op uit m’n keel. Dat wil ik ook ! Prettig vergezeld door een gouden Affligem tripel. Wat is eten toch heerlijk als je honger hebt ! Binnen, m’n korte mouwen zijn toch wat fris, knapt de open haard, terwijl Prosper zich het vuur uit de sloffen loopt. Een aardige man, behulpzaam, creatief en een guitige lach. Als voorschot op wat komen gaat neem ik een Rochefort 8. Dit bijna kauwbier zorgt voor een bitterzoete afsluiting, als ware het chocolade. Ik voel me moe worden, en ga naar buiten, de donkerte in. Ik poets m’n tanden, vergeet m’n “koplamp” aan te doen, en struikel over wat bielzen zodat ik languit ga in het grind. Dan voelt m’n veldbed met de wollen dekens toch beter aan.

Tekst en foto’s : George Nelis

Tour des Trappistes deel 1

George Nelis heeft de nobele gedachte opgevat om zijn Tour des Trappistes te voet af te leggen. In 2-wekelijkse bijdragen vertelt hij zijn pelgrimstocht. Na de inleiding nu deel 1 opgedragen aan George’s schoonvader, overleden op 2 februari jongstleden.

Tour des Trappistes deel I : van Orval naar Rochefort

Maandag 14 mei

Frisgroen en –geel schiet het door de regen van de afgelopen dagen opgefleurde landschap aan mij voorbij. Scholieren bevolken de trein, en het iPodgehalte is ongeveer zo hoog als het aantal achtergelaten halfgelezen Metro-kranten.
Het doel van mijn reis is het wandelen van Orval naar Rochefort, als eerste deel van mijn “Tour des Trappistes”, waarbij ik lopend alle brouwende Trappistenkloosters in België en Nederland wil verbinden.Ik vind het allemaal erg spannend, ik ben benieuwd hoe het zal “lopen” en nieuwsgierig naar wat het mij zal bieden. Zal het bijdragen aan mijn vergevend vermogen, mijn motto van dit jaar ? Dit lukt me steeds beter, en de keren dat dit nog niet het geval is, het zij me vergeven.
Van het knusse stationnetje Florenville, loop ik naar het centrum. En gezeten aan het Albert de Eersteplein, geniet ik van mijn eerste Orval. Al kijkend op het etiket, valt mijn oog op de tekst “Contient malt et d’orge”. Zou het toeval zijn dat het woord “orge” deel uitmaakt van mijn voornaam ? Ben ik voor het bier geboren ?

Abbaye Notre Dame d'Orval

Abbaye Notre Dame d'Orval

Carpe Diem

Carpe Diem

Lopend naar Orval zie ik “1 jour de sentier = 8 jours de santé. Carpe diem” op een muur staan. Nou, dan kan ik er na mijn wandeling weer voor weken tegen. Al snel kom ik in m’n geliefde natte bossen : een kabbelende beek aan m’n linkerzij, de ruisseau de Williers, weelderig loof, vrijende blauwzwarte kevers, het gekwetter van vogels. Dit is voor mij de hemel op aarde, carpe diem in de juiste zin van het woord.

Rust in de abdij van Orval

Rust in de abdij van Orval

In de hôtellerie van de abdij staat een alleraardigste mevrouw me in half Frans, half Nederlands te woord. Met een vers gesteven lakenpakket brengt ze me via een labyrint van gangen en trappen naar mijn kamer. Deze is basic, mijn stijl. Een bed, beetje model ziekenhuis, tegels op de vloer en tegen de wand, een tafel met antieke designlamp, een stoel en een wastafel met koud water. Alle maaltijden, met uitzondering van het ontbijt, beginnen op een vaste tijd, het is nu tijd voor de avondmaaltijd en dus zoek ik de eetzaal op. Een sober ingerichte eetzaal, borden en bestek, ’n glas en ja hoor, daar staat’ie ! De etiketloze Orval vert, het speciaal voor intern gebruik gebrouwen zusje van de bekende Orval : minder alcohol, zo’n procent of 3, maar door z’n mooie hopbitterheid toch volmondig. De maaltijden dienen in stilte genoten te worden, en als Frère Bernard, die me bij de ingang van de eetzaal verwelkomde met de vraag : “Monsieur Nelis ?”, nogmaals langskomt met een halfvolle schaal ravioli, kijkt hij me guitig aan en maakt een armgebaar met de strekking : “Je bent nog jong en je moet goed eten !”. Zalig, die blik !
Na het eten zet ik me achter de antieke designlamp en mijmer en beschrijf ik de dag van vandaag. Buiten plenst het. Na een verkwikkende lauwe douche schuif ik onder de gesteven lakens. Ze voelen fris en zacht aan, net als de mensen en het klooster.

Abdij van Orval

Abdij van Orval

Dinsdag 15 mei

Goddelijk geslapen. Tja, wat wil je in een klooster ?! Ik begin met de ochtendmis van 7 uur. De vroege van 4 uur is dan al uren geleden. Ondanks de imposante omvang van de basiliek is deze met 10 met name zingende monniken en zo’n 30 gasten redelijk gevuld. Van het Frans versta ik weinig, maar de woorden die ik af en toe kan plaatsen, brengen herinneringen uit m’n prille jeugd naar boven : de Theresiakerk en met name het naar de kerk moeten. En nu ? Nu ga ik uit vrije wil. Het elkaar net voor de communie vrede wensen vind ik ontroerend : al die lieve doorleefde lachende gezichten die elkaar gemeend een hand geven, even slikken.Dezelfde handen zie ik even later trillend de koffie-automaat bedienen, niet precies wetend hoe deze werkt. Terwijl het toch in mijn beperkte ogen een kwestie is van ’n knop 1 keer indrukken. Mijn tijd komt nog … Na het gezamenlijk afruimen maak ik wat mooie foto’s. Bijvoorbeeld van de fontein waarin volgens de overlevering gravin Mathilde haar trouwring verloor, welke, na gebeden te hebben in een nabijgelegen kapel, door een forel teruggegeven werd. Hierop riep de gravin dat het een waar “Val d’or” was, een gouden dal. Vandaar Orval.

Orval  Mathilde bron

Orval Mathilde bron

Overigens ligt er nú in deze fontein voldoende muntgeld voor nog zo’n ring. Ook het middageten gaat vergezeld van een heilige 3-1-heid : bier, brood en kaas. En eigenlijk dient het enige probleem van mijn verblijf in Orval zich aan tijdens het afruimen : die halfvolle flessen Orval. Hoe zet je die nu met voldoende gevoel voor piëteit aan je mond ?Na een mooie wandeling, schaduwrijke bospaden, groene korenvelden, de uitvinders van de wave, en verstilde dorpen als Villers-devant-Orval, beloon ik me voor het goede doorlopen, je moet iets verzinnen, met een “echte” Orval, die met gesloten ogen naar binnen tintelt. Mijn gevoel vraagt om “Nog een !”, mijn verstand zegt gedecideerd “Neen”, want ik wil enigszins nuchter aan tafel verschijnen en de foto van broeder Bernard maak ik graag bij mijn volle verstand.

Leeg !

Leeg !

Terwijl hij het avondeten ronddeelt, wenkt Frère Bernard me met een voor mij herkenbare blik, zo van, “Maak jij maar je foto’s”. Lief. Aldus worden hij en zijn broeder-broeder, die wat strakker-in-de-leer overkomt, vereeuwigd. Recht voor me pakt een boven alles en iedereen uitrijzende man het slim aan : zowel zijn vrouw, li- van hem, als zijn buurvrouw, re-, laten hun bier wel openen, maar schuiven deze bijna heimelijk naar hem door. Hij lacht schalks, en geniet vervolgens met volle teugen. Mm, slim. Beetje jaloers, Nelis ? (wordt vervolgd)

Ter nagedachtenis van mijn schoonvader Jan zaliger.

Tekst : George Nelis

Fotos : George Nelis en Danny Van Tricht

Gepubliceerd in:  on 12/02/2009 at 05:07 Laat een reactie achter
Tags: ,

Tour des Trappistes

George Nelis, het zegt u waarschijnlijk niets. Tot een paar weken geleden mij trouwens ook niet. Tot ik in mijn mailbox een berichtje vond met zijn verhaal … en het mooiste aan zijn verhaal is dat George het wil delen met Trappistbier Beleven … want dat is net wat George ten volle uit doet ! De volgende maanden krijgen we een kijkje in zijn dagboek … nieuwsgierig geworden ?  Hier is deel één !

Danny Van Tricht

Tour des Trappistes (Inleiding)

Begin jaren ’80 was het. Ik ontmoette m’n toen nog vriendin en nu m’n vrouw Corine. De provincie Brabant had echter nog meer ontdekkingen voor me in petto. Met haar en m’n aanstaande zwager Bas togen we naar Valkenswaard, waar we, gezeten op een van de vele terrassen die de Markt aldaar overzien, wat te drinken namen. En wat bleek ? Er was meer tussen hemel en aarde dan pils en niet alle bier was blond ! Er was stoer donker bier. Met meer smaak, meer geur en meer pit ! Bier dat je met nèt even meer respect mocht drinken. Joepie !

Westmalle Tripel

Westmalle Tripel

Enkele weken later waande ik me aan de poort van het Nirwana toen ik, dit keer met m’n schoonma en –pa op een feest, m’n eerste Westmalle proefde, de tripel. Was dit van menselijke hand ? Ergens te koop wellicht ?

Mijn liefde voor Belgisch bier was gewekt. Mijn gevoel hierbij was alsof ik een stukje onontdekte ik had gevonden, welke ik warm omarmde, als een verloren zoon. Een verwarrende periode ook. Want waarom was deze schat zo lang verborgen gebleven ? Was ik ziende blind geweest ? Kon ik de “schade” nog inhalen ?

Wonend in het knusse Maaskantje, onder de rook van het gemoedelijke ’s Hertogenbosch, toog ik vervolgens enkele malen per jaar naar het zuiden, naar de abdij van Achel, alwaar het winkeltje een ware schatkamer bleek. Niet alleen vanwege het bierparadijs waarin ik me waande, slalommend tussen de kratten, en links en rechts genietend kijkend, als in een museum. Maar ook vanwege de intrigerende rust die van de broeder achter de kassa uitging. Wat waren dat voor mensen ? Ja, monniken, maar wat doen die de hele dag en waarom hebben zij voor hun roeping gekozen ?

De Achelse Kluis

De Achelse Kluis

Een ook elke keer terugkomende vraag was meer aards : welke bieren zou ik deze keer meenemen ? Neem ik bieren die ik ken en lekker vind of ga ik voor het onbekende ? Gouden Carolus, hoe zou die smaken ? Hé, Chimay heeft ook een tripel ! Ook maar weer gewoon een krat Westmalle tripel ? Of ? Hé ?! Wat is dat ? Saison ? Met m’n karretje volgeladen verscheen ik dan bij de kassa, blij als een kind. Wat er op de kassabon kwam te staan, zag ik al niet meer. Evenmin de vonkenregen achter me, vanwege een over de weg schurende uitlaat.

Met schoonvader Jan en zwager Jos werd een wandeling georganiseerd, meerdaags, in de buurt van Rochefort. Uren soppen door de woeste loofbossen, vanaf Houyet. Door en door nat, versteend tot op het bot bijkomen in een café in Han-sur-Lesse, met een hartverwarmende Rochefort 8. Mooie verhalen, als mannen onder elkaar. Dankbare momenten. De een-na-laatste bus die ons naar Rochefort kon brengen, ging zonder ons, op een been kan je slechts hinkelen tenslotte !

De bron die water levert voor Rochefort Trappist

De bron die water levert voor Rochefort Trappist

De volgende ochtend door de vrieskou wandelend naar Chevetogne, om aldaar een Grieks-orthodoxe mis bij te wonen. Als lunch truites aux amandes. Geestelijke en aardse voeding gingen hand in hand en vormden een perfecte match. Vele wandelingen volgden, altijd ergens in de Ardennen, altijd inmiddels gevieren : Jan, m’n schoonvader, en Jos en Bas, m’n zwagers. Een perfect quartet. En immer putten we de wandelingen uit het ruime Grandes Randonnées-aanbod, zoals van Beffe naar Houffalize via de GR 57, van Diekirch naar Ouren, via de GR 5-E2 en van Bra naar Remouchamps, via de GR 578. Mooie wandelingen, kostbare herinneringen en nog immer dankbaar dat ik zo’n schoonvader en zulke zwagers heb mogen ontmoeten.

Eind 2006 is vervolgens als door een goddelijke ingeving het idee geboren om al m’n voorliefdes voor België te combineren : wandelen, lekker eten, een mooi glas bier en de inspirerende Trappistenkloosters. Ik zou de nog brouwende abdijen in Westmalle, Berkel-Enschot, Achel, Rochefort, Orval, Chimay en Westvleteren aan elkaar gaan lopen. Een tocht waarbij ik de diverse Grote Routepaden en Grande Randonnées als leidraad zou gebruiken, bij voorkeur overnachtend bij mensen thuis, chambres d’hôtes danwel gastenkamers. Een tocht van vele honderden kilometers, uit te smeren over meerdere jaren. Mijn Tour des Trappistes. (wordt vervolgd)

George Nelis en zijn medestappers

George Nelis en zijn medestappers

Tekst en foto : George Nelis

Foto’s : Danny Van Tricht

Gepubliceerd in:  on 18/01/2009 at 18:38 Reacties (2)
Tags: ,